Right to be forgotten

In artikel 17 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is vastgelegd dat zoekmachines als Google zoekresultaten moeten verwijderen die irrelevant, niet langer relevant, onjuist of bovenmatig zijn. Dit zogenaamde right to be forgotten, officieel het right to erasure of recht op vergetelheid, gaat op voor zoekopdrachten die de naam van een Europese burger bevatten en die afkomstig zijn uit een EU-land. Direct na invoering in 2014 pleitten organisaties als de Franse autoriteit persoonsgegevens al voor een verruiming van deze toepassing van het right to be forgotten.

Pleiten voor verruiming

De opname in de AVG komt voort uit een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Lees hier meer over deze geschiedenis. Het Hof oordeelde in 2014 dat Google de ongewenste zoekresultaten niet langer mocht tonen indien een individu een beredeneerd beroep deed op zijn of haar right to be forgotten. De indiener moet met name beargumenteren dat de af te schermen gegevens geen publiek belang dienen en wanneer dat wel het geval is, dat het recht op privacy voorgaat op dit recht op vrijheid van informatie. De beslissing blijft uiteindelijk aan Google, hoewel er mogelijkheden zijn om tegen een afwijzing in beroep te gaan.

Aanvankelijk gaf Google beperkt gehoor aan het right to be forgotten door alleen de zoekresultaten op de lokale variant te verwijderen. Een verzoek tot het vergeten van gegevens door bijvoorbeeld een Nederlands persoon leidde daarom ook slechts tot het verdwijnen van de berichten uit de lijst op de Europese versies van Google. In 2016 verruimde Google de werkwijze al. Als Google een verzoek inwilligt, verwijdert het sindsdien ook de vermelding op het hoofddomein Google.com bij een zoekopdracht vanuit het land waarin het verzoek is gedaan.

Toch vond de Franse autoriteit persoonsgegevens, de Commission Nationale de l’Informatique et des Libertés (CNIL), ook dit niet voldoende. Het eiste dat toegekende vergeetrecht-verzoeken leiden tot de verwijdering van zoekresultaten uit alle versies van Google wereldwijd. Daarom legde de CNIL de Amerikaanse zoekmachine een boete van 112.000 dollar op. Google ging hier tegen in beroep en inmiddels is de zaak door de Franse Raad van State voorgelegd aan het Europese Hof van Justitie, dat naar verwachting in 2019 een oordeel velt.

Gevaar van censuur

Google sprak zich eerder uit tegen een wereldwijde verruiming van het right to be forgotten. In een blog uit 2015 stelt de zoekmachinegigant dat als de eis van de CNIL wordt ingewilligd, het einde zoek is (en daarmee ook einde zoekmachine is). “Uiteindelijk zou het internet slechts zo vrij zijn als ’s werelds minst vrije plek”, aldus Google. “Wij zijn van mening dat geen enkel land de autoriteit zou moeten hebben om te bepalen tot welke content iemand in een ander land toegang kan krijgen.” Google spreekt de vrees uit dat bijvoorbeeld Rusland informatie die het als homoseksuele propaganda bestempelt, op legitieme wijze wereldwijd in Google zou kunnen blokkeren.

Het NRC (2018, 11 september) haalt daarnaast Jimmy Wales, oprichter van de Wikimedia Foundation, en Thomas Hughes, directeur van mensenrechtenorganisatie Article 19, aan als fervente tegenstanders van een wereldwijd right to be forgotten. Wales vreest een Wikipedia vol gaten en noemt het vergeetrecht dan ook “diep immoreel”. Internationaal pleitbezorger van het recht op vrijheid van informatie Article 19 stelt bij monde van Hughes dat “het Hof van Justitie van de Europese Unie de vrijheid van meningsuiting [zou] moeten beschermen en niet een wereldwijd precedent [zou] moeten scheppen voor censuur”.

Het right to be forgotten zorgt al jarenlang voor verdeeldheid en het is wachten op de nieuwe uitspraak van het Hof, waarover beide kampen ongetwijfeld hun eigen oordeel klaar gaan hebben.